Groenbeheer


De tuinman beheerde het landgoed van de rijke baas. Hij maaide het gazon, snoeide het plantsoen en verzorgde de dieren en de moestuin. Zijn taak was helder; het landgoed moest er netjes uitzien, want de gasten van de baas waren  hooggeplaatste mensen en hun oordeel was van groot belang in de elitaire kring. Dus een net landgoed leverde aanzien.

Buiten het landgoed, in de arme contreien, werd eveneens gemaaid en gesnoeid. Niet door de tuinman, maar door boeren. Niet voor aanzien, maar om te overleven. Maaien betekende voer voor het vee en het snoeien of zagen werd gedaan om hout te winnen als warmtebron. De bladeren werden uit het bos gehaald, niet om deze winterklaar te maken, maar voor de koeienstal.

Strikt gezien waren zij, de tuinman en de boeren, bezig met groenbeheer, maar om twee verschillende redenen.

Boeren maaien nog steeds voor hun vee. In Nederland  heeft gas grotendeels het hout vervangen als warmtebron. Dus in het buitengebied wordt door particulieren nog nauwelijks gesnoeid en gezaagd voor noodzakelijk hout. De tuinman van het landgoed heeft veel nakomelingen in particuliere tuinen. Aanzien is niet meer exclusief voor de landgoedbaas. Kleine tuineigenaren willen ook aanzien. En dat wordt gepoogd te creëren door middel van een nette tuin.

In de stad is het niet anders. Overheden willen verzorgd groen voor de bewoners, vooral in het meest prestigieuze deel van de stad. Dat zijn meestal wat gazonnen met wat bomen hier en daar, vaak in rijen van dezelfde soort. Heel handig om hier tijdens zomerdagen op te gaan liggen.

Waar komt dit vandaan, dat verlangen naar een nette groene omgeving? Een intrigerende vraag, des te meer omdat veel mensen die op vakantie gaan juist niet een nette en strakke omgeving opzoeken, maar meestal een rommelige en natuurrijke omgeving.

Landbouw vs wildernis

Beschaving is begonnen met landbouw. Voedseloverschotten door landbouw hebben voor gezorgd dat een deel van de bevolking zich bezig kon houden met studie. Akkers en vee werden elementen in het landschap die gevoelsmatig gekoppeld werden aan voedsel, dus rijkdom. Een door vee begraasd weiland betekende vlees en melk. Terwijl de wildernis als onveilig werd ervaren. Voor jagers en verzamelaars was de wilde natuur onze bron van leven. Maar met de komst van de landbouw is alles veranderd. Als soort hebben we steeds meer afstand genomen van de natuur. Als boeren waren we in staat om ons te onttrekken aan de de harde wetten van de wildernis.  We weten inmiddels wat de moderne landbouw ons heeft gebracht, welvaart en vernietiging van de natuur.

hunter-farmer

De eerste boeren

neolithic-farmers-300x172

Jagers verzamelaars in hun omgeving

 

 

 

 

 

 

 

Maar dat groene gazon geeft ons nog het gevoel dat onze voorouders moesten hebben bij een begraasde wei. De context is nu anders. Een laag, groen grastapijt betekent nu een goed gevulde portemonnee om een dure gemotoriseerde grasmaaier te kopen. Maar de onbewuste, innerlijk betekenis blijft hetzelfde.

Hakhout

Gras heeft een sterke groeireactie na het maaien, sterker dan andere kruidachtige planten. Bij voldoende regen en bemesting resulteert het intensieve maaien van het gazon in een soortenarme, smaragdgroene grasmat. Hetzelfde groeireactievermogen is ook bij veel soorten bomen en struiken aanwezig.

Hieronder een overzicht van de verschillende soorten houtachtigen en hun geschiktheid als hakhout.

Ongeschikt: Naaldbomen, Ratelpopulier,Sleedoorn.

Matig: Gladde iep, Zoete kers.

Goed: Berk, Zomereik, Wintereik, Haagbeuk, Beuk, Hulst, Meidoorn, Zwarte populier.

Zeer goed: Es, Els, Tamme kastanje,Wilg, Hazelaar, Ruwe iep, Winterlinde, Veldesdoorn, Boswilg, Gewone esdoorn.

Deze eigenschappen waren goed bekend bij de vroegere boeren. De gouden tuinregel “snoeien doet groeien” werd door boeren systematisch uitgevoerd. Niet vanwege landschappelijke vereisten, of omdat ze dat geleerd hadden op de tuinbouwschool. Ze deden dat om er hout van te winnen. Als brandstof, tenen om te vlechten, klimstokken voor de moestuin, of als bouwmateriaal.

 

DSC02567

Prachtige oude houtwal, al jaren niet meer onderhouden. Hierin is een evenwicht ontstaan waardoor nog nauwelijks opschot is.

schouwpaden2015b

Gesnoeide houtwal en explosieve groei van opschot.

 

 

 

 

 

 

Oude noodzaak, tegenwoordige gewoonte.

In de oude tijd, waar mensen het van natuurlijke bronnen moesten hebben, liggen de wortels van het huidige groenbeheer. Het is werkgelegenheid voor de groenbeheerders. Maar veel werkzaamheden zijn gebaseerd op het noodzakelijk handelen van de arme boeren, vertaald in netheid voor het aanzien en vanwege economische doeleinden gestimuleerd door de tuinbranche. De grind- en stenentuin is de laatste evolutie van de tuinwereld. Hiermee lijken de oude wortels van het groenbeheer helemaal weggerukt. Maar dat heeft meer te maken met gemak en (tuin)mode.

Wilde tuin

Tegenover de bovengenoemde ontwikkeling staat de wilde tuin, ecologische tuin, of natuurtuin. Hierin is er veel variatie, maar de natuur speelt meestal een voorbeeldige rol. Helaas is het nog een marginale niche in de groene wereld. Waarschijnlijk omdat de grote spelers van de tuinbranche hierin geen grote winsten kunnen maken.

Tot slot

Zo zien we, de groene wereld staat niet stil. Het is een zeer belangrijke sector voor veel bedrijven en werkgelegenheid voor veel mensen. Deze ontwikkelingen kennen vele voordelen, voor mensen die daarin hun brood verdienen, en voor wie van een ordelijke, nette omgeving houdt. De nadelen? Die zijn voor de natuur.

 

 

Literatuur: Jan den Ouden,Bart Muys,Frits Mohren,Kris Verheyen, 2010.

Geef een reactie